Lekker veel tralies

We zijn net verhuisd, van een ruim designershuis in Tamboerskloof terug naar Jordanese afmetingen in een cute cottage in de Waterkant. We wonen nu op vier verdiepinkjes verspreid over 60 vierkante meter. Vrij donker beneden, een beetje hokkerig in zijn geheel. In een scháttig straatje, dat dan weer wel.

Ik mis mijn oude buurt, het terras van de Daily Deli, het licht, de ruimte, de kokerboom in de patio en het uitzicht op de Tafelberg. ‘Jullie woonden ook een beetje boven jullie stand’, zei mijn moeder toen ik ietwat verwend mokte over onze nieuwe behuizing. Nou ja! Boven onze stand was het natuurlijk niet – geluk dwing je af – wel was het een zeer gerieflijke overgang na 3,5 maand kamperen. Zo konden we  iedere dag kiezen welke douche we zouden nemen (mét of zonder uitzicht op de Tafelberg), op welk terras we van het uitzicht gingen genieten en of we wel of niet een duik zouden nemen in ons eigen zwembadje. Ook was er een ruime logeerkamer voor vrienden uit Nederland. Al met al vrij ideaal.

Toch bekoelde mijn liefde voor het designershuis twee maanden geleden. Midden in de nacht werden we opgeschrikt door een inbreker. Die schrok zelf ook, waarschijnlijk van de oerkreet van Olivier, maar kon nog net een laptoptas buit maken voordat hij in het donker verdween. (In de tas helaas met niet alleen de laptop maar ook de back-up drive met weken ontwerpwerk en een leven aan foto’s) Het huis voelde meteen anders. Ik was voortdurend  iPods en dergelijke kwijt omdat ik alles neurotisch aan het verstoppen was. Als enige in de straat waren wij niet aangesloten op de Armed Response (als je dat wel hebt, komt binnen een minuut een tot de tanden gewapende beveiliger poolshoogte nemen als je alarm afgaat) noch waren we betrokken bij de Neighbourhoodwatch. Dat voelde opeens kwetsbaar. Het huis had toch wel erg veel ramen en deuren die je open zou kunnen breken. ’s Nachts lagen we wakker van allerlei geluiden die we eerst niet hoorden.

Ons nieuwe huisje heeft lekker veel burglar bars, tralies. Vrij ongezellig denk je, maar ik word al een echte Zuid-Afrikaanse en waardeer dat soort zaken. Vroeger, in mijn eerste week in Kaapstad, rijdend door het stinkend rijke Constantia, zei ik tegen Olivier dat als ik ooit in zo’n villa achter een hek met elektriciteitsdraden moest gaan wonen, ik terug naar Amsterdam zou gaan. Constantia trekt me nog steeds niet, maar na die inbraak zijn elektriciteitsdraden geen bezwaar meer. Wat zeg ik, juist een pre: zet er maar lekker veel volt op. Die burglar bars zijn vast een stapje in de goede richting.

Wat een walgelijke veranderingen in mijn hoofd, en dat na slechts negen maanden. Moet ik remigreren voordat het te laat is? Stuur me een kaartje met je advies. Ons nieuwe adres:

98 Waterkant Street

De Waterkant

8001 Cape Town

Het Project

Het voordeel van zo’n donkere wolk als in mijn vorige blog, is dat ‘ie, godzijdank, ook altijd weer opklaart. Soms na een uur, soms na een dag of twee. En dat je je dan weer helemaal vrouw van de wereld voelt. Klinkt dit een tikkie manisch? Nou ja, lekker is het wel. High zonder drugs gecombineerd met een intens vertrouwen dat alles lukt waar je energie instopt. En energie genoeg. Bijna teveel, mijn vingers tintelen.

Tijd dus om het designhuis te verlaten, de zon in. Ik ga op pad voor mijn nieuwste project waarin ik heilig geloof, uiteraard. Een commerciële klapperrrr moet het worden. Herstel: gaat het worden. Een die het mogelijk maakt mezelf een echte Capetonian Lifestyle aan te meten. Met sushilunches, een kekke knalgele oldtimer en drie zonnebrillen. Volop tijd om te lezen, te sporten en voor weekendjes weg in afgelegen cottages met mijn nieuwe internationale vrienden. Of met zijn tweeën in de daktent- net als op reis.

Ik zal een kantoortje huren waar ik iedere ochtend naartoe loop- ons steile straatje uit, kijkend naar de Tafelberg en alle tropische bomen. Ik begin met een sterke cappucino bij Vida e Caffe op Kloofstreet – de Coffee Company van Zuid-Afrika), waar ik tal van mooie types ontmoet. Na een productieve dag kom ik thuis in een schoon huis, dankzij een werkster die we dik betalen en van wie we alle kinderen een studiebeurs geven (ze wonen over het algemeen in de sloppen. Het standaard dagloon is 150 rand, gelijk aan zo’n 15 euro, eentiende zonnebril of zo’n sushilunch, dat blijft toch wringen).

Zwembad

Mijn leven heeft een upgrade gekregen. Ik woon tegenwoordig in een heus designhuis met een eigen zwembad. In Tamboerskloof, een buurtje met opgepoetste, kleurrijke Victoriaanse huizen en louter succesvolle bewoners. Ik zie er fantastisch gebronsd uit, al zeg ik het zelf. Ik rijd zonder problemen links in ons nieuwe Peugeootje waarvan de nummerplaat toevallig precies mijn geboortedatum is, hoe leuk is dat? ’s Ochtends jog ik langs de boulevard uitkijkend over de Indische Oceaan, of beklim ik samen met mijn geliefde Lions Head- hopend dat vandaag wel een goede dag wordt.

Mijn adem stokt hoog in mijn keel. Ik moet van alles, maar doe niks. Verdoe mijn tijd op FaceBook, bekijk geirriteerd wat anderen daar posten, ga vervolgens door naar de Telegraaf.nl en walg van alle onzin die ik tot me neem. Ik weet dat Carice van Houten weer verliefd is, maar niet hoe dat nou allemaal met de straling in Japan zit. Ik moet eigenlijk de BBC en de New York Times  lezen en me verdiepen in het lokale nieuws: het ANC, Zuma en Zimbabwe, maar ik heb geen zin. Geen zin.

De dagen glippen voorbij, dagen waarin ik doe alsof ik werk. Mens, daag jezelf eens uit. Probeer eens een keer een verhaal in het NRC in plaats van al die tijdschriften met je grote mond. Of misschien toch weer een andere baan? Als je niet werkt, ga dan die nieuwe stad verkennen waarin je woont. Leef verdomme. Doe iets. Schrijf dan tenminste af en toe een column, dat vind je toch leuk? Geen zin. Geen zin wordt getikt.

Olivier heeft het druk. Hij heeft geen tijd voor mijn probleem van te veel tijd en niets doen. Thuis werken, werkt niet. Zeker niet als je nog geen vrienden hebt om mee te lunchen. Het is niet dat ik terug naar Amsterdam wil, maar het valt me toch tegen. Dit. Terwijl ik gvd aan mijn eigen zwembad zit, mooi gebronsd, dat wel.

Julia toch

De entree Labia on Orange Street, was een feest van herkenning; de oude houten deuren, de rommelige kaartverkoop, de omgekrulde affiches en de uitgeknipte recensies, het was net de Movies in de Haarlemmerstraat. Mijn eerste bioscoopentree in Kaapstad had niet beter gekund. Zin dat ik had: in de airco, de voorfilmpjes, de popcorn, het hele pakket. Ik was wel ietwat gegeneerd om mijn reisgenoot mee te nemen naar Eat Pray Love (slap Hollywooddrama, vrouwenpraat, romantiek, kortom, net waar ik zin in had). Gek genoeg ging hij zonder morren akkoord; hij vond een wijvenfilm prima als Julia Roberts de hoofdrol had.

Dat was echter precies waar het misging. Zo feestelijk als het was om je na vier maanden weer eens te nestelen in een bioscoopstoel, zo pijnlijk was het weerzien met Julia. Was het wel Julia? Ja, toch wel, maar die bovenlip… Wat zonde. Wat pijnlijk. Alsof ze er een stevige linkse directe mee had opgevangen. Mijn reispartner dacht meer aan drie bijensteken. Erg opgezet in ieder geval. Na drie minuten dwong de regisseur ons zelfs om de misvorming in een lang shot en profil te bekijken. Laat het maar meteen duidelijk zijn, het is niet anders, zal hij gedacht hebben.

137 minuten lang heb ik me erover verbaasd. Ik vind het niks voor Julia, zo’n botoxlip. Niet een klein prikje, nee, we hebben het hier over een multiple botox-behandeling waar zelfs Conny van Breukhoven een puntje aan kan zuigen. En ik dacht juist altijd dat Julia aan een potje Nivea genoeg had. Maar nee, ook Julia is Hollywood.

Nou goed, ieder mens heeft zo zijn vergissingen. Maar ik had gehoopt dat ik lekker kon  wegzwijmelen bij deze film. In plaats daarvan heb ik eerst een half uur verbijsterd gekeken naar De Bovenlip en daarna non-stop gelachen. Zo’n hoofd kun je niet meer serieus nemen.

Hoe kan ik een seconde geloven dat Julia-botox Elizabeth Gilbert is die zich zonder schuldgevoel volvreet in Italië? Hoe kun je mij nou laten geloven dat  die opgeblazen clownsmond in een Indiase ashram tot zichzelf probeert te komen? Hoe naïef moet je zijn om je door deze film mee te laten slepen en te geloven dat haar tegenspeelster, de geheel niet onaantrekkelijke Javier Bardem, er oprecht met Miss Botox vandoor wil? Voor een eenmalige logeerpartij was ik er misschien nog ingetrapt, maar de film insinueert oprechte liefde. Dat kan niet, dat gaat er gewoon niet in. Julia toch, je hebt je merk kapot gemaakt. En meer dan dat: ik kan nooit meer met mijn reisgenoot naar een film van jou.

P.S. Op Google staan tientallen links naar artikelen waarin Julia zegt dat ze heel erg tegen botox is. Dat zou betekenen dat ik het verkeerd heb gezien en – erger nog – dit stukje moet verwijderen. Dat zou zonde zijn. Bovendien, wie gelooft Julia nu nog?

Stress

Nog vijf weken, nog 35 dagen. Min twee dagen verhuizen, min vier dagen testvakantie in Frankrijk, min een dag EHBO-cursus, min vijf dagen die je nou eenmaal ontglippen. Dus eigenlijk nog maar 23 dagen, afgerond drie weken. Dat is gruwelijk snel.

Mag ik dan alsjeblieft een beetje zenuwachtig zijn? Mag ik dan af en toe bitsen en verwijten slingeren naar een reisgenoot die lak heeft aan mijn lijstjes en mijn behoefte aan een plan mét tijdsschema?

‘Een plan is niet nodig, we halen het heus wel. En nee, ik ga niet zeggen hoe lang ik denk nodig te hebben voor het installeren van de accu, want ik heb het nog nooit geda-haan, dus ik weet niet hoe lang het duurt.’ ‘Ja maar..’ probeer ik nog. ‘Nee, als ik het wel zeg klopt het toch niet.’

Toch boeken we ook af en toe een succesje. Zo staat de daktent eindelijk niet meer in een schuur maar op onze auto. Het wachten was op het roofrack, een lasproject van mijn reisgenoot waar hij niet de geplande twee dagen maar drie weken mee in de weer was. Hij toetert trots als hij onder ons raam in de Reestraat staat. Tot mijn schrik staat het roofrack een halve meter hoger dan ik in gedachten had, daarbovenop zweeft onze tent. Dat is dan ook het eerste dat ik zeg, als ik zuchtend de voordeur opendoe.

Reisgenoot:’ Dat is juist handig zo, dan kun je er nog spullen onder leggen.’

Ik: ‘Je wil daar helemaal geen spullen onder leggen want dat wordt allemaal gejat. Bovendien: we hebben ruimte genoeg. Wat niet in de auto past, gaat niet mee.’

‘Kun je er ook iets positiefs over zeggen?’

‘Fijn dat het erop zit. Wat moet er verder nog gebeuren en hoe lang heb je daarvoor nodig?’

‘Jezus, Flore, weet je wel hoe lang ik hiermee bezig ben geweest?’

‘Ja dat weet ik: ontiegelijk lang.’

Een reisgenoot die graag zelf klust is prettig, zeker onderweg. Maar nu, zo kort voor vertrek, wil ik dat dat gehobby klaar is. Sterker nog: ik zou me graag grof laten afzetten bij een garage. Al was het maar omdat het dan echt niet langer duurt dan twee dagen. En dan kan ik dat in mijn schema afvinken en daar word ik dan rustig van. Hoop ik. En dan hebben we niet steeds van die pijnlijke situaties – waarbij ik achteraf heus inzie dat ik mijn gedachtes ook anders had kunnen, had moeten, verwoorden. En dat het dan weer waar wordt wat ze zeggen, dat de voorbereidingen minstens zo leuk zijn als de reis. Ik voel de tranen branden. Ik bel mijn hulplijn, ‘Mamobiel’, en besef dat ook zij straks heel ver weg is.

Kamperen

Ik heb best veel kampeerervaring. Vooral op kleine natuurcampings met ijskoude beekjes om je in te wassen en een campingwinkel met louter linzen en lavendelkussentjes. ‘Lekker primitief’ en ‘heerlijk rustig’, zeiden mijn moeder en haar vriend dan tegen elkaar. Ik haatte het: de linzen, het ijskoude water, de verplichte lange bergwandelingen en vooral die vriend. Op een enkel potje badminton na, verveelde ik me dood.

Liever ging ik met mijn buurmeisje mee naar de Middellandse Zee: campings met wel 400 plaatsen, zes zwembaden, Calippo’s in exotische smaken en veel Nederlandse jongetjes. Haar ouders hadden een caravan mét wc die drie weken bleef staan, in plaats van dat ‘lekker rondtrekken’ met die klotevouwwagen.

Ruim achttien jaar later ga ik het toch weer proberen, dat kamperen. Over drie maanden gaan we met een oude Toyota Hilux naar Kaapstad rijden. Eerst willen we testen of de indeling van onze auto, waar inmiddels weken werk inzit, ook daadwerkelijk praktisch is.

Toegegeven, mijn keus is gevallen op een natuurcamping in de bosrijke omgeving van Ermelo. Lekker kleinschalig, lekker buiten. Achterin liggen vertrouwde spullen: vale, legergroene kampeerstoeltjes, kleine opblaasmatjes en een gedeukte pannenset. Gekregen van de ex-vriend van mijn moeder, die ik inmiddels niet meer haat.

We zijn er! Triomfantelijk ronken we het veldje van de natuurcamping op. Ik heb wel eens een hartelijker ontvangst meegemaakt. Een potige vrouw gestoken in wielrenbroek, oversized shirt en Tevaslippers legt uit waarom: ‘Auto’s zijn hier absoluut niet gewenst.’ Laat staan dit soort benzineslurpende gevallen, zie ik haar denken. Je zou eens wat deodorant, een scheermesje en een leuk jurkje moeten kopen, denk ik.

Na lang zoeken parkeren we onze auto op het achterste veld van camping en recreatiepark De Molen in Garderen. We worden aangestaard door achttien senioren. Ze zitten in koppels voor hun caravans die in een keurige cirkel staan opgesteld. Sinds 1 april ‘mogen ze weer staan’ en zijn ze er ‘zo vaak als het kan’. Wat een hel. Kamperen is net opgroeien. Je moet het leren waarderen.

A walk in the park

Nog 11 weken te gaan. De spanning loopt op. Mijn vriend wil via de westkust naar Kaapstad rijden. Hij wil afzien en avontuur. Hij wil muggen, modder, jungle, Nigeria en Angola. Het échte Afrika, noemt ie ’t. Ik wil opeens liever via de oostkust. Ik wil vakantie en snorkelen, Tanzania en Malawi, lekker veel asfalt én minder reiswaarschuwingen van Buitenlandse Zaken. We komen er niet uit en spreken af het oost-west issue twee weken te parkeren, ons beter te informeren, en dan te beslissen.

Op zoek naar informatie beland ik op de weblog van de familie Schoenmaker. Ze hebben heel Afrika rondgereden met hun kinderen van twee en vier. Dat is een verhaal, denk ik meteen. Na toestemming van de familie verkoop ik het aan een mamablad. Ter voorbereiding van het interview spit ik hun website door.

In het verslag over de westkust noteer ik passages over tseetseevliegen, grenswachters met kalasjnikovs en spijkerplanken in Nigeria. Uit hun verslag over de oostkust noteer ik fijne kampeerplaatsen en wildparken. Dat interview over reizen met kinderen zal wel loslopen, dit is even belangrijker.

Het interview met de Schoenmakers verloopt rommelig, mijn vragen zwalken. Aan het einde stel ik eindelijk de vraag waar het om gaat: ‘Welke route zouden jullie ons adviseren?’

Ik check met een schuine blik mijn telefoon, yep dit bewijsmateriaal wordt opgenomen. Marcel gaat er eens goed voor zitten en velt zijn oordeel: ‘De route langs de Oostkust is A walk in the park. Overal perfecte campings, lekkere restaurantjes. Je ziet onderweg veel tours met van die overlandtrucks. Leuk, maar dat kun je altijd nog doen. Wildparken zie je ook genoeg als je in Zuid-Afrika woont. Wil je het echte, donkere Afrika zien, dan neem je de westelijke route. Ja, dat is meer afzien maar dan zijn je hoogtepunten ook hoger.’ Marga Schoenmaker knikt instemmend.

Shit, dit was helemaal niet de bedoeling. Als zelfs een jong gezin deze route aanraadt, wat voor laffe tut ben ik dan? Heb ik werkelijk overwogen om de meest avontuurlijke reis uit mijn leven af te slaan, omdat ik wil snorkelen? Wat een onzin, natuurlijk gaan wij via de westkust.

Toch lig ik ’s nachts weer wakker. Ik denk over tseetseevliegen en dat ik me halverwege Kameroen afvraag waarom ik het advies van een onbekende familie opvolg. En hoe ik in godsnaam dat chaotische interview ga uitwerken tot een fatsoenlijk verhaal.

De Winkel

Met Koninginnedag run ik een communistische winkel. Niet zo’n lullig kleedje met meuk. Nee, bij ons wordt de meuk keurig uitgestald op een tafel en bemand door tien winkelmedewerkers. We etaleren ook wat zelfgemaakte muffins. Koopt geen hond, wekt wel sympathie. Rond een uur of vijf schuiven we ze zelf naar binnen. Dan hebben we er lang genoeg naar gekeken, is onze tafel verworden tot een chaos met veel lege blikjes en staat onze verkoopdrang op een laag pitje: ‘Vind je ’t leuk? Neem maar mee, joh.’

Vóór die tijd zijn we van de actieve verkoop. Kameraad Ruth houdt een bordje omhoog met ‘Of je worst lust’ ter promotie van onze broodjes knakworsten. Ik zwaai met een karton ‘Koud bier = plezier’. Het loopt als een trein. Met een beetje geluk nemen ze ook nog het rokje van Agnes B- voor-twee-Ee mee aangeprezen door kameraad Floor, of de lamp die kameraad Ernee onvermoeid boven haar hoofd houdt. We delen de winst en eten en drinken de hele dag uit eigen voorraad. Alles is tenslotte van ons samen. En we lachen heel veel want het is te gek: de winkel, het winkelpersoneel en de klandizie.

Dit jaar was de voorbereiding wat beladen, het is namelijk de laatste Koninginnedag voor Het Vertrek. Volgend jaar wonen Olivier en ik in Kaapstad en staan we in de tuin van de consul op een stijve oranjeborrel. Alle eerdere Koninginnedagen moeten nu worden overtroffen.

Naast deze prestatiedruk hadden we te maken met Een Situatie: twee voormalig winkelmedewerkers hadden zich ontpopt als kapitalisten. Ze wilden de klinkende munten die vorig jaar zo rap binnenrolden bij de sangriaverkoop deze keer in hun eigen portemonneetje stoppen,  via een sangriabar naast De Winkel. Het kwam gelukkig goed, de klandizie had dit jaar meer zin in pils dan in sangria.

Maar wij zijn niet van het leedvermaak, het grootste succes was van ons allemaal: een elektriciteitssnoer. Toen alles op was, zelfs de sangria, bleek dat snoer een ware publiekstrekker. Drommen mensen werden verzamelden zich. Er werd geklapt en gelachen. Naast een winkel hadden we nu een heus evenement opgetuigd. Springtouwen deed zijn herintrede op 30 april 2010 in de Reestraat. Iedereen sprong in, en als je sprong dan was je vrienden. De hele winkelinventaris werd een grote prijzenkast voor de springers. Het was legendarisch met ongekende hoofdstedelijke saamhorigheid. En de kapitalisten? Die sprongen ook en doen volgend jaar gewoon weer mee met de winkel.

Overlander in spé

Tegenwoordig negeer ik etalages. Tassen, suède schoentjes, jurkjes en designmeubels: het is allemaal nutteloze ballast voor een overlander in spé. Mocht u niet bekend zijn met het begrip ‘overlander’: dat zijn mensen die ‘over land’ rijden. Dat doet u misschien ook weleens, maar overlanders doen het vaak lang aaneengesloten en bij voorkeur niet over de weg. Zij praten niet in kilometers, files en routeplanners, maar in landen, grensovergangen en GPS-coördinaten. Het liefst praten ze over hun voertuig, vaak aangedreven door vier wielen en volledig uitgerust, als het even kan met tent op het dak.

Over een paar maanden ben ik ook een overlander, al heb ik een voorkeur voor de weg, ben ik niet zo gek op kamperen en heb ik geen interesse in auto’s – al was ik op jonge leeftijd al van plan eens de Camel Trophy te winnen. Dit wordt helaas geen echte wedstrijd; mijn vriend en ik zijn het enige team. Wel proberen we binnen vier maanden – en over een modderig traject – naar Kaapstad te rijden. De auto hebben we al. Of, zoals een overlander ’t zou zeggen: ‘De Toyota Hilux 4×4 uit 1990 met slechts 81.380 kilometer op de teller, die hebben we al.’

We zoeken nog naar een high-lift jack, aluminium zandladders en een omvormer. En meer zaken waarvan ik niet wist dat ze bestonden en die nu opeens essentieel blijken. Volgens mijn vriend dan. Geen idee of dat echt zo is, maar om enige structuur te pakken in de voorbereidingen – die ik nauwelijks kan overzien – klamp ik me vast aan zijn lijst. Hij is tenslotte al meer overlander dan ik en wordt wél opgewonden van accu’s en diodes.

Wij oriënteren ons op Marktplaats en bij legerdumps. Stiekem verlang ik naar de Zara. Zeker nu hun voorjaarscollectie voor mij ontworpen lijkt. Kekke safari-jasjes, luchtige tuniekjes en zachte katoenen broeken. Ideaal voor de tropen, leuk bij bruine benen en niet misstaand in het straatbeeld van Abuja en Kinshasa. Maar goed, dat staat allemaal niet op de lijst en past al helemaal niet in het budget.

Gelukkig staan er nog een paar producten op de lijst met potentiële shopvreugde. Producten die ik wel begrijp en waarbij een keuze voor kleur en/of model doorslaggevend kunnen zijn bij aankoop. Dacht ik, totdat mijn vriend weigerde in te stemmen met het leuke retromodelletje autokoelkast, dat op Marktplaats mijn naam riep. Of ik even het verbruik wilde uitzoeken en of ik dan niet begreep dat we een bovenlader nodig hadden? Ons hele avontuur was bijna voortijdig geëindigd in een krantenkop met huiselijk geweld op de Reestraat te Amsterdam. Voorlopig staat de koelkast weer op zíjn lijst. Ik concentreer me nu, geheel zelfstandig, op campingstoelen en een stof voor lakenzakken.

Martin

Olivier belt met Martin uit Heeswijk-Dinther, sinds tweeënhalf jaar actief op Marktplaats. Olivier houdt wel van een praatje. Martin niet: ‘Oké, je kan de band zaterdagochtend om tien uur ophalen, hij is 50 euro en dat is niet onderhandelbaar, zeg ik er meteen maar even bij.’ Als Olivier het adres herhaalt, heeft Martin al opgehangen.

Zaterdagochtend bellen we aan bij een kleurloos huis, maar wel met een olijk detail: een rotan heksje bij de deurbel. Gelukkig, Martin heeft een vrouw. Hoewel partners mensen niet perse gelukkiger maken, vind ik het toch altijd geruststellend als iedereen een partner heeft gevonden. Ook Martin.

Ik probeer mezelf weer in te prenten dat ik ook van de voorbereiding moet genieten. Maar hoe dan? Het is zaterdagochtend, ik heb een kater en sta in fucking Heeswijk-Dinther te wachten op een chagrijn, die misschien niet thuis is. Even doorzetten, denk ik, ook dit hoort bij onze Camel Trophy naar Kaapstad. Ik probeer me Martin voor te stellen als een nukkige Kongolese grenswacht. Ik recht mijn schouders en bereid me voor op een luchtig chitchatje met Martin, opdat hij snel een stempel zal zetten en wij door kunnen.

Hij is vast thuis. Het duurt gewoon langer bij huizen met rotan heksjes: eerst blaft een hond, dan worden sloffen verwisseld voor schoenen en meerdere sloten ontgrendeld. Daarna gaat de deur open en maken wij kennis met Martin. Een stevige handdruk, een lach die gele shagtanden onthult en een onverwachte woordenstroom die mijn chitchat overstemd: ‘Goed dat jullie voor Toyota hebben gekozen. Ik ben al 20 jaar automonteur en ik heb me de laatste jaren toegelegd op Toyota. Niet kapot te krijgen. Ik zeg altijd maar: wil je een auto die er leuk uitziet koop dan een Franse, maar wil je een auto die blijft rijden neem dan een Japanner. Als het even kan een Toyota natuurlijk. Kunnen jullie mij een paar fotootjes mailen van jullie Hilux? Vinnik ik leuk!’

Ik houd van Martin want Martin houdt van Toyota. Hij  is gewoon niet zo’n beller. Natuurlijk is de voorbereiding leuk. Je ontmoet mensen als Martin, net als op reis. Hoe meer Martin over Toyota’s praat hoe euforischer hij wordt. En wij ook. Na een kwartier houd ik niet alleen van Martin maar ook zielsveel van onze Toyota en zelfs een beetje van de vrouw van Martin die aan komt fietsen en niets van een rotan heksje wegheeft.

Ginnes rekkuts

De vrouw met de langste nagels

Zeven jaar was ik en we woonden in Rosmalen. Ja, inderdaad, van het Autotron en Albert West. Mijn lievelingsboek was Daantje de Wereldkampioen van Roald Dahl, voorgelezen door mijn moeder. Zelf las ik het liefst – let op: snelle uitspraak en met zachte g –­ Ut-Ginnes-Boek-Of-Rekkuts. Een enorm boek met een donkerblauwe kaft met gouden letters en een bizarre fotocollage. Bomvol topprestaties. Urenlang zat ik met het zware boek op schoot, minstens drie keer per week.

De vrouw met de langste nagels fascineerde me, al waren de man met vijf armen, de dikste vrouw ter wereld en de grootste slagroomtaart ooit gebakken ook niet mis. Maar het was meer dan plaatjes kijken; ik analyseerde ieder record. Welke zou ik op mijn naam willen schrijven? Lag dat binnen mijn mogelijkheden? En, minstens zo belangrijk: was ik bereid zo ver te gaan? Bij het nagelrecord stond een geinige foto, maar niet my cup of tea; leek me onhandig en duurde te lang. Om dezelfde reden viel het record paalzitten af. Bovendien: wat als je naar de wc moet? Er komt natuurlijk veel pers op af en dan plaatsen ze natuurlijk net die ene foto als je even op je paal zit te plassen. Nee, daar had ik geen zin in. Pas nu weet ik dat je bij paalzitten om de vier uur, vijf minuten van de paal af mag om te plassen. Als ik dat toen had geweten, zou ik dat hele paalzitten niet eens overwogen hebben. Ik doe niet aan neprecords.

Het meest ideale wist ik al snel, was een nog niet bestaand record te vestigen. Minimale inzet, maximaal resultaat. Ja, een beetje zesjesmentaliteit, maar wel met ambitie. Ik dacht aan de hoogste boomhut, het langste springtouw, en aan de mens die het langst onder water kon blijven. Die laatste heb ik nog een tijd serieus in bad geoefend. Helaas verloor ik het al snel van mijn broer.

Stiekem wil ik nu, 25 jaar later, nog steeds een record vestigen. Het zoeken naar het niet bestaande record of het vinden van mijn ultieme categorie is een eindeloos proces. Sommigen noemen het leven.

Promovendus in pies

Rotterdam, Erasmusgebouw Zaal C. Een pedel komt binnen. Ik ken pedellen alleen als eerstejaars corpsstudenten die de Senaat aankondigen, maar dit is een potige vijftigjarige vrouw met alcoholische wangen en rossig haar. Ze heeft een kordate blik en draagt haar outfit – een donkere fluwelen cape en een middeleeuwse staf – met verve. Zoiets kun je ook maar beter met overgave doen. Net zoals je beter een ferme hand kunt geven dan een slappe, beter drie dagen carnaval kunt vieren dan twee uur en je beter een heel dan eenvijfde staatslot kunt kopen.

BAF, daar gaat de staf van de pedel. Na een officiële aankondiging treedt thans de promovendus binnen. Hij heeft rode konen en draagt een rokkostuum dat zijn klotsende oksels verhult. Met een scheef lachje kijkt hij naar het publiek. Arme jongen, hij is nog niet eens begonnen. Gelukkig wordt hij bijgestaan door twee paranimfen, ‘voor mentale en inhoudelijke steun’ tijdens de verdediging van het proefschrift, fluistert mijn moeder me toe.

BAF, daar stampt de rossige vrouw weer met haar staf. Dit keer kondigt ze een zestal professoren aan. Ze zijn uit alle windhoeken naar Rotterdam gekomen om mijn broer eens stevig aan de tand te voelen over zijn onderzoek. Jawel, het betreft hier geen willekeurige promotie, dit is mijn grote broer, na mijn opa en vader alweer de derde uroloog bij de De Vriesjes. Voor problemen met pies: ga naar De Vries, is dan ook de geijkte familiespreuk. Altijd goed voor minstens een gniffel.

Wat het allemaal behelst, die urologie en dit promotieonderzoek, daar heb ik geen idee van. De eerste sheet is nog te volgen: levensgroot verschijnen de penis, het prostaat en de zaadballen in beeld. Ze worden keurig aangewezen met infrarood door mijn gadgetminnende broer, die gebruik maakt van de nieuwste Applesnufjes. Na de eerste sheet schakelt hij rap over naar PSA-percentages, biopten, carcinoom, een afwijkend rectaal toucher en screenen of niet screenen. Ik ben al snel de draad kwijt, maar wat zal het?  Hoe minder ik begrijp, hoe trotser ik word.

BAF, de pedel ramt voor de laatste keer haar staf het tapijt in: ‘Hora est’, de sessie is afgelopen. Daar staat míjn broer, doctor de Vries, promovendus in pies en hoofdrolspeler in dit fantastische toneelstuk. Ik gniffel, heb rode konen en natte oksels. Wij zijn familie.

Retourtje Sarajevo

Met grote passen en achteloze blikken loop ik met kek Samsonite koffertje over het brandschone vliegveld van Keulen naar de terminal van German Wings. Onder het motto ‘freelancen kun je overal’ heb ik een vlucht geboekt. In Sarajevo liggen de verhalen vast voor het oprapen.

De piloot vertelt ons dat we nog een half uur boven Sarajevo moeten rondvliegen vanwege het noodweer. We hebben nog genoeg benzine dus ‘no worries‘. De vrouw naast mij knijpt in de arm van haar man. Ik tuur over de groene heuvels waarin willekeurig wat dorpjes lijken gestrooid. Tussen ’92 en ’95 moet het daar verschrikkelijk zijn geweest. Ik vraag me af of men  in Sarajevo daar nog met mij over wil praten.

Ik meld me bij de paspoortcontrole. De douanier fronst een paar keer en bestudeert mijn paspoort, lachen zit niet in zijn functieomschrijving. Hij draait een nummer. Binnen 20 seconde staan er vier marechaussee om me heen. Mmm, da’s gek. ‘You are on the black list of Interpol, this passport is stolen’, zegt de douanier bestraffend, terwijl hij met twee dikke vingers mijn paspoort omhoog houdt. Mmm, da’s heel gek.

Mijn koffer moet zo snel mogelijk van de bagageband en ik moet meteen weer het vliegtuig in. Lamgeslagen kijk ik naar de andere reizigers, zij zien toch ook wel dat ik geen crimineel ben? Val mij bij! Ze kijken. Ze zwijgen. Het interesseert ze niets. Zo voelt een illegaal zich dus.

Dan schiet me iets te binnen, dít moet er gebeurd zijn: paspoort kwijtraken; nieuwe aanvragen; paspoort terugvinden en niet weggooien – want zoveel exotische stempels; oude paspoort meenemen naar Sarajevo. Mijn verhaal maakt geen indruk. Een pokdalige vrouwelijke douanier, die ook buiten werktijden nooit lacht, sommeert mij op te schieten. Paniek. Ik wil niet terug, ik wil op avontuur, ik ben onschuldig! Het lijkt alsof ik op een filmset sta. Door deze associatie weet ik opeens wat ik moet doen: ‘Let me call my lawyer’ , roep ik ernstig, terwijl ik mijn vriend probeer te bellen. Werkt ook niet. Vijf minuten later zit weer in het vliegtuig, de stoelen zijn nog warm. Tranen rollen over mijn wangen. Vrouw van de wereld met kek Samsonite koffertje is vanavond weer thuis.

Dertiger met pensionadawens

Pensionada

Een pre-pensioencursus, dat bestaat gewoon. Al 40 jaar zelfs. In een driedaagse cursus krijg je samen met je partner ‘handvatten aangereikt’ voor een nieuwe indeling van die zeeën van tijd zonder collega’s, aldus Volkskrant Magazine. Belangrijk cursusonderdeel: workshop Nordic Walking.

Ik denk niet dat ik zoiets nodig heb. Eigenlijk ben ik nu al een volleerde pensionada (in het Spaans klinkt het mooier, trotser) al schijn ik te moeten wachten tot ik 67 ben. Jammer, want het lijkt me best wel wat: elke dag beginnen met drie kranten, lekkere koffie en een fijn muziekje. Dan is het al half twaalf, misschien tijd voor een lunch of middagfilm. Even naar de markt en ’s avonds eten met vrienden. En ik lees iedere week twee boeken.

Daarnaast een beetje sporten en wat horeca, musea, theater en concerten bezoeken, Spaans leren, een fotografiecursus en veel ‘maken’ als in tuinen, meubels en schilderijen. Af en toe ga ik een maand op reis voor een reportage of – die gedachte komt nu opeens binnen – gewoon met een baby op mijn arm.

Stop.

Zou dit het dan misschien zijn? Dat mensen dit een kinderwens noemen omdat dat beter geaccepteerd wordt dan een dertiger met een pensionadawens? En dat iedereen dus daaraan meedoet? Net zoals iedereen het in juli 2009 opeens mooi vindt om een drollevanger te dragen met een paar puike Birckenstoks eronder, want: in de mode.

Wat ik wil zeggen is dat ik denk onafhankelijk te zijn, maar waarschijnlijk toch aan allerlei kanten beïnvloed word. Een kwalijke zaak, maar ja, mezelf echt afzonderen om tot autonome beslissingen te komen lijkt me ook niks. Misschien zou ik dan zelfs in mijn eentje doodgaan net als de Grizzly Man (hoewel die stiekem toch een vriendinnetje had meegesmokkeld  als roadie voor zijn narcistische reportage) of die knappe van Into the Wild, ook al in Alaska.  Hoe dan ook, het blijft een dilemma: wil ik pensionada of madre worden? En –  zijn er nog keuzes die je voor honderd procent zelf maakt?

Danskoning

michael-jackson-

The King of Pop is dood.  Al dan niet door de verkeerde medicatie. Eigenlijk onbelangrijk want ik denk dat Michael J. de beste dokter hoe dan ook dankbaar mag zijn dat hij uit zijn lastige pakket is verlost: geen neus meer, geen geld meer, geen onbezorgde logeerpartijtjes meer, und so weiter. Bovendien: na een paar jaar in zo’n pretpark te hebben geleefd heb je die attracties echt wel gezien. Ook al ben je nog een kind.

Het houdt me al dagen bezig. Triest, want ik ben nooit fan geweest van Michael. Maar sinds ik me als een hulpeloos slachtoffer door de media heb laten beïnvloeden vind ik dat opeens onbegrijpelijk en doodzonde. Ik was meer van het Doe Maar-kamp en keek naar Achterwerk in de Kast in plaats van naar MTV. Misschien uit zelfbescherming: een acceptabele moonwalk-imitatie is geen kattepis voor een kind met een wat houterige motoriek.

Sterker nog; voor mijn zestiende heb ik geen enkele danspas durven maken. Daarna volgde een aantal jaren met slechts wat wiegende bewegingen, wel dichtbij – of vasthoudend aan – de bar. Sinds een jaar of tien durf ik wel ‘los’ op de dansvloer, maar dan houd ik het gewoon bij één danspas. Vaak gesteund door een paar consumpties.

Nu baal ik van mijn laffe dansgedrag. Een beter voorbeeld dan Micheal bestaat niet, bedenk ik me als ik op BNN naar de Dangerous-tour kijk. Opeens is het er: een nauwelijks te onderdrukken drang om van de bank op te staan en alle bewegingen van deze held na te doen. Met hoedje. Micheal maakt het kind in mij los.

Maar damn it, waar was die drang toen ik 8 was?  Hoewel je nooit te oud bent om iets te leren durf ik nu niet meer te beginnen. Zeker niet met mijn verkering naast me. Een gemiste kans die ik maar beter om kan zetten naar iets positiefs, dat zou Michael ook gewild hebben. Dus bij deze een advies voor alle kinderen, de dikkerdjes in het bijzonder: get up and dance! Je kan nu heel goedkoop een dvd’tje van hem kopen. Echt, veel leuker dan de Wii.